Grote fotografen.

Het is verdomd moeilijk om een boeiende portretfoto te maken. Een beeld maken waaruit het karakter je tegemoet springt, vereist enorm veel ervaring en inzicht. Achtergrond, type belichting, gelaatsuitdrukking, voorwerpen in beeld….alles moet kloppen. Een van de mooiste portretten vind ik nog altijd die van Alfred Krupp, gemaakt door Arnold Newman. Een grimmige foto waaruit de goed verstaander weet dat de metaalfabriek Krupp een duister verleden met zich meedraagt. Rembrandtniveau. En dan de portretten uit het rauwe leven van Cartier Bresson. Je blijft kijken. 

Man Ray, Mario Testino, Paul Huf, Anton Corbijn; portretfotografen die op eenzame hoogte staan of stonden. In dit rijtje past onbetwist Irving Penn. Hij is gisteren op hoge leeftijd overleden. Ik las dat hij tot zijn dood toe nog fotografeerde. Dat is op zich opvallend. Grote fotografen hadden er op een moment gewoon genoeg van. Ze wilden er zelfs soms pas na flink aandringen nog over praten. Eva Besnyö liet zich een paar jaar voor haar dood nog heel mooi filmen waarin ze vol passie over haar beroep vertelde. Maar dat moest van verre komen.

 

Gisteravond laat nog naar een documentaire over Erwin Olaf gekeken. Ook zo’n grote naam onder de fotografen. Een inspirerende man. Alleen jammer dat hij zichzelf geen kunstenaar wilde noemen. Dat fotografie veel en veel meer is dan alleen een knopje indrukken mag inmiddels wel duidelijk zijn.

Alfried_Krupp

A. Krupp (foto: Newman)

Reageer